Foto: Daniel Maissan
Foto: Daniel Maissan

Prodeco publiceert due diligence-rapport over mensenrechten, maar is niet duidelijk over zijn rol in het Colombiaanse conflict 

Foto: Daniel Maissan
14 februari 2022 |

Het Colombiaanse steenkoolmijnbouwbedrijf Prodeco, een dochteronderneming van de Zwitserse multinational Glencore, heeft eindelijk de resultaten vrijgegeven van zijn due diligence-onderzoek van 2019 naar de gevolgen voor de mensenrechten van zijn activiteiten in Cesar, Colombia, een regio die zwaar is getroffen door het gewapende conflict en momenteel een nieuwe golf van geweld door illegale gewapende groepen beleeft.

Context: steenkoolmijnbouw in Cesar
De afgelopen 25 jaar heeft Prodeco/Glencore, samen met het Amerikaanse mijnbouwbedrijf Drummond, grote hoeveelheden steenkool geleverd aan Europese energieproducenten. Terwijl de twee mijnbouwmultinationals tussen 1996 en 2006 in deze regio hun gang gingen, kwamen meer dan 3.100 mensen om het leven en werden tienduizenden boeren van hun land verdreven - land dat later meer dan eens in handen van de mijnbouwbedrijven belandde. Hoewel mijnbouw werkgelegenheid en royalty's heeft opgeleverd, heeft het ook veel negatieve sociale, economische en milieugevolgen gehad, met name voor de lokale gemeenschappen. PAX en andere maatschappelijke organisaties - zoals ASK! in Zwitserland en SOMO in Nederland - hebben de afgelopen jaren uitvoerig over deze gevolgen geschreven.

Effectbeoordeling mensenrechten
Het door Prodeco gepubliceerde rapport werd lang verwacht, aangezien het het resultaat is van een Human Rights Impact Assessment (HRIA) waartoe in 2018 opdracht werd gegeven om te voldoen aan de internationale normen voor verantwoord ondernemen (UNGP en OESO-richtlijnen). De publicatie van de resultaten van de studie werd uitgesteld vanwege de economische onzekerheid die het bedrijf teistert, waardoor Prodeco onlangs aankondigde dat het afstand heeft gedaan van zijn mijnbouwtitels en Cesar zal verlaten (hoewel het moederbedrijf, Glencore, zijn activiteiten in het naburige departement La Guajira heeft uitgebreid). Dit besluit ontslaat de onderneming echter niet van de verplichting verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen van haar activiteiten voor de bevolking en het milieu in Cesar. In die zin is het prijzenswaardig dat de onderneming de bevindingen van de HRIA heeft gepubliceerd, temeer daar het ongebruikelijk is dat multinationale ondernemingen in Colombia dit doen. Bij kritische lezing is het rapport echter niet volledig en soms tegenstrijdig, wat vragen oproept over de doeltreffendheid van de maatregelen die het bedrijf neemt om de effecten die het heeft veroorzaakt of waartoe het heeft bijgedragen, te verzachten en te verhelpen.

Prodeco zegt dat de studie 20 negatieve gevolgen voor de mensenrechten heeft vastgesteld, waarvan er vijf rechtstreeks "veroorzaakt" zijn door haar mijnbouwactiviteiten. Wat de andere betreft, is de conclusie dat het bedrijf slechts heeft "bijgedragen" tot de effecten of er "mee in verband staat". Opvallend is dat de meeste effecten betrekking hebben op inbreuken op sociale, economische of culturele rechten, zoals de achteruitgang van de bestaansmiddelen van boeren en vissers, lucht- en waterverontreiniging, ontmoediging van vakbondslidmaatschap, toegenomen overheidscorruptie en veronachtzaming van de culturele gebruiken van Afro-Colombiaanse gemeenschappen (effecten op de inheemse Yukpa-bevolking worden in het rapport in het geheel niet genoemd). Slechts drie effecten hebben betrekking op veiligheidskwesties, en slechts één houdt verband met het gewapende conflict. Dit is opmerkelijk in een regio die zo gekenmerkt wordt door geweld en is in tegenspraak met talrijke studies en rapporten van mensenrechtenorganisaties en overheidsinstanties zoals het Nationaal Centrum voor Historische Herinnering. De studie registreert "bedreigingen tegen gemeenschapsleiders" als een effect waartoe Prodeco heeft bijgedragen, maar tegelijkertijd worden effecten zoals "waargenomen toegenomen onveiligheid voor de burgers" en "gewapende troepen die worden gezien als voorrang gevend aan bedrijfsbelangen" afgedaan als percepties en het resultaat van verbroken vertrouwensrelaties die gemakkelijk kunnen worden hersteld met informatievergaderingen en participatieve workshops. Ironisch genoeg noemt het bedrijf "het gebrek aan duidelijkheid over de rol van Prodeco in het gewapende conflict", dat "het recht van de slachtoffers op waarheid aantast", als een effect dat het heeft veroorzaakt. Hoewel het bedrijf defensief ontkent dat het op enigerlei wijze heeft samengewerkt met illegale groepen, laat het niet zien dat het serieuze stappen heeft ondernomen om de indirecte effecten van mijnbouw op het gewapende conflict te onderzoeken.

PAX-programmaleider Joris van de Sandt: "Het is jammer dat Prodeco de HRIA niet heeft aangegrepen om te onderzoeken in hoeverre haar mijnbouwactiviteiten de dynamiek van het gewapende conflict in de regio hebben beïnvloed en op die manier mogelijk hebben bijgedragen aan nadelige gevolgen voor de mensenrechten van de lokale bevolking. Alleen op die manier kan zij de onduidelijkheid over haar rol in het conflict wegnemen en laten zien dat zij verantwoordelijkheid neemt voor het verleden." De Asamblea Campesina del Cesar, de grootste slachtofferorganisatie in de regio, roept het bedrijf al jaren op om een dialoog aan te gaan over deze en andere zaken met betrekking tot Prodeco, maar zo'n proces is nog steeds niet op gang gekomen. Ondertussen heeft het bedrijf altijd categorisch geweigerd samen te werken met de Colombiaanse Waarheidscommissie. "Misschien dat Prodeco, nu het probleem onderkend is, snel bereid is mee te werken aan opheldering van deze kwestie", aldus Van de Sandt.

Gebrek aan duidelijkheid, meer openheid gewenst
Het HRIA-verslag bevat slechts schaarse informatie over de gevolgde methodologie en gaat niet meer dan oppervlakkig in op zijn bevindingen. Belangrijke informatie ontbreekt: wanneer hebben de effecten zich voor het eerst voorgedaan, wanneer en hoe lang zijn er mitigerende maatregelen genomen, en wat zijn de effecten van deze maatregelen geweest? Het verslag is ook hoofdzakelijk gericht op effecten die zijn vastgesteld in gemeenschappen die direct grenzen aan de mijnbouwactiviteiten (haar "invloedsgebied"), waar de onderneming kan aantonen dat zij inspanningen doet om deze effecten te verzachten. Andere gemeenschappen waar dezelfde effecten ook merkbaar zijn, worden buiten beschouwing gelaten. Soms is de informatie gewoon misleidend: vaak presenteert het bedrijf reguliere verplichtingen waaraan het wettelijk moet voldoen als speciale maatregelen die zijn ingevoerd om de gevolgen voor de mensenrechten te verzachten.

Prodeco vermeldt het bestaan van een Human Rights Management Plan (2020-2022), maar bij maatschappelijke organisaties, slachtoffers en gemeenschappen is niets bekend over het bestaan ervan (laat staan de inhoud). Van de Sandt: "Het bedrijf zou meer openheid moeten geven over zijn analyse van de bevindingen van het HRIA-onderzoek. Ook zou het bedrijf een publieke presentatie moeten geven over zijn plannen om de gevolgen voor de mensenrechten in de komende jaren te verzachten. Deze plannen moeten niet alleen ten goede komen aan de paar dorpen die aan de mijnen grenzen, maar aan alle gemeenschappen die nadelige gevolgen ondervinden van de mijnbouw, inclusief de slachtoffers van het gewapende conflict."

Virtuele rondleiding van sprekers
Veel van de onderwerpen die in het Prodeco-rapport aan bod komen, waren ook het onderwerp van een virtuele sprekerstour die eind vorig jaar werd georganiseerd door leiders van de Asamblea Campesina del Cesar om de zaak te bespreken met Europese bondgenoten en belanghebbenden in de aanvoerketen van steenkool. In gesprekken met energiebedrijven, investeerders, parlementsleden en overheidsinstellingen vestigden de leiders van de onder dwang verdreven gemeenschappen de aandacht op hun open uitnodiging aan Prodeco en Drummond om een formele dialoog aan te gaan over waarheid en verzoening, en riepen zij de bedrijven en hun investeerders op om bij te dragen aan herstel voor de slachtoffers van het geweld in de mijnstreek van Cesar door de oprichting van een compensatiefonds. De slachtoffers vrezen dat de geleidelijke afschaffing van steenkool in Europa zal leiden tot het vertrek van meer ondernemingen uit Cesar, en zij vrezen dat de mijnbouw- en energiebedrijven zullen vertrekken zonder eerst verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen die zij hebben veroorzaakt of waaraan zij hebben bijgedragen.

Meer weten?
Lees hier meer over onze campagne Stop Bloedkolen.
Hier kunt u het rapport the Dark Side of Coal  en het rapport Civil Society Under Threat lezen.

 

 

Blijf op de hoogte van het werk van PAX. 
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief.

paxvoorvrede.nl maakt gebruik van cookies om je de inhoud van deze website optimaal te kunnen presenteren.
Aanpassen